Vocabulaire

Sinds ik bij grote zus op de peutergroep ben gaan spelen is mijn woordenboek een flink stuk gegroeid. Een overzichtje:

- Sank: Brandweerman Sam

- Apoeper: (nog steeds) Assepoester

- Voke, Vogeke: vogel (papa denkt dat dit van zijn dialect "vögelke" komt)

- Wate: Water

- Appelepeej/appelepeer: fruit

- Ete: Eten

- Bote: boterham

- Haasjag: hagelslag

- Voetsje: vleesbeleg (afgeleid van worstje?)

- Kekke: cracker/knäckebröd

- Pienka: een tijdje letterlijk pindakaas, maar nu ook stroop of smeerkaas.

- Dinke: drinken

- Mesj: vork, lepel, mes

- Pieempam: buurman

- Nikke (eerst, vreemd genoeg, kikker): achterbuurmeisje Nikkie

- Fie: Fientje

- Taktoh: traktor

- Uitkikke: autoriem losmaken

- Kokodihj: krokodil
- Dootje: cadeau
- Boij: Bal, balletje, druppeltje
- Kikkele (als onomatopee): kietelen 
 
- Bitsje: bedje
 
De telling van de woorden per categorie laten zien dat eten voor Bas een belangrijk stuk van 't leven is :-)